Beeld2
Foto: Jakleen Ghanim

Negen maanden gevangen door IS: Nofa’s ontluisterende verhaal

 

Ze willen vrouwen voor seks, dood hebben ze niets aan hen.

 

Op 2 augustus 2014 schrok Nofa (23) wakker van de telefoon die maar bleef overgaan. Het was twee uur ’s nachts. Haar broer nam de telefoon op en riep dat iedereen zich zo snel mogelijk moest aankleden en de belangrijkste dingen in een tas moest doen. IS was een naburig dorp binnengedrongen: ze moesten vluchten, en snel. Zij, haar moeder, zus en twee broers.

Nofa keek nog even vlug om omdat ze het huis misschien nooit meer zou terugzien. Uren liepen ze, richting de bergen, ’s nachts richting de Shingal berg. Onderweg kwamen ze honderden vluchtende mensen tegen, huilende vrouwen en kinderen, die vertelden dat hun mannen waren meegenomen of geëxecuteerd. Sommigen hebben dit zelfs voor hun ogen en de ogen van hun kinderen zien gebeuren.

Toen ineens – het was inmiddels middag geworden – kwamen vier pickups aan en sneden de mensen af. Strijders sprongen uit de auto, met automatische geweren en hun gezichten bedekt, en trokken de mannen mee. Vrouwen en kinderen werden in andere pickups achterin gezet. Ze zagen hoe hun broers, vaders en zonen werden meegenomen en de pickups wegscheurden. Nofa, haar zus, en haar moeder werden meegenomen naar het centrum van de stad Shingal.

Slaaf vanaf zeven jaar

“We werden in een zaal gestopt waar enkele strijders rondliepen, schreeuwend dat de vrouwen zich tot de Islam moesten bekeren. Dat ze vanaf nu geen Yezidi, geen duivelaanbidders, meer zijn. Enkele uren later kwamen zeker vijf IS strijders de zaal binnen. Vrouwen en kinderen werden meegesleurd naar buiten. Een moeder smeekte of ze bij haar zeven jaar oude dochtertje mocht blijven. Meisjes die ouder dan zeven zijn kunnen volgens de mannen ook als slaaf worden verkocht, zij zijn al rijp om te dienen. De mannen sloegen op haar in en sleuren haar naar buiten. We hadden geen idee waar ze mee naar toe zijn genomen. Als we daarnaar vroegen, dan werden we hard geslagen. Ze vertelden ons dat alle mannen waren geëxecuteerd. Maandenlang heb ik gedacht dat mijn broers dood waren. De strijders bleven maar herhalen: ‘Vergeet jullie familie, jullie zijn nu onze slaven.’

“Uren later werden we in bussen gezet en naar Mosul gebracht. Daar aangekomen werden we een groot gebouw ingeduwd, met drie verdiepingen, en alle kamers zaten vol vrouwen. Er waren zeker tweeduizend vrouwen, uit verschillende dorpen. Vrouwen uit twee dorpen, Kani en Solag, vertelden ons dat de mannen voor hun ogen en de ogen van hun kinderen zijn geëxecuteerd. “Als de kinderen wegkeken werden ze geslagen. Ze werden gedwongen om te kijken hoe hun broers, vaders en grootvaders in rijen werden gezet en in de rug werden neergeschoten.”

“De klanken van de Koran, de hele dag door luid door het gebouw. We moesten de Koran leren lezen en vijf keer per dag bidden, zoals goede moslims ook deden. Veel van de vrouwen accepteerden dit niet. Als je niet wilde bidden werd je met stokken zo hard geslagen dat je wel neerknielde. Iedere dag kwamen er strijders naar het gebouw. Ze konden kiezen wie ze wilden. Sommigen werden meegenomen voor een nacht, andere voor een langere, onbepaalde tijd.

Emir

“Een vriendin van mij van achttien jaar, was twee maanden zwanger toen we in Mosul aankwamen. Een belangrijke IS leider, een emir, had zijn oog op haar laten vallen. Ik vertelde hem dat hij haar niet kon meenemen omdat ze zwanger was. Toch dwongen ze haar om op te staan en mee te gaan. Ze vertelden ons dat ze haar naar het ziekenhuis zouden brengen om de gezondheid van de baby te checken. Ze kwam terug met abortuspillen. Ze wilde zo graag haar kindje houden, zeker nu ze dacht dat haar man dood was, en we verpulverden de pillen zodat niemand ze zou vinden. Een maand later kwam de emir weer langs en nam haar mee. Ik heb haar nog een keer gezien, in Telafer, toen ze naar een huis werd gebracht van een man die mij had gekocht. Haar hele lichaam zat onder de blauwe plekken, op haar polsen de afdrukken van te strakke handboeien. Haar baby was weg. Daarna heb ik haar nooit meer gezien.

“Na een week in het gebouw kwam Haji Abdulla binnen, een Turkmeen uit Telafer. Hij besliste hoe de vrouwen zouden worden opgedeeld en waar ze naar toe zouden gaan. De eerste groep ging naar Raqqa, de tweede bleef in Mosul, een derde naar Baaj en wij werden naar Telafer vervoerd. Familieleden en vrienden werden van elkaar gescheiden want slaven horen alleen te zijn. Familie bestaat niet voor hen. De vrouwen schreeuwden en probeerden elkaar te beschermen maar wie niet meeliep werd met Kalasjnikovs geslagen en over de grond meegesleurd. Wapens werden tegen de hoofden van kinderen aangedrukt, om ons te dwingen mee te gaan.

“In gevangenschap wilden sommigen zelfmoord plegen. Maar IS zorgde ervoor dat we geen daartoe geen mogelijkheden hadden. Hoewel we begrepen dat je de moed soms op wilde geven en dat het leven ondraaglijk was, we probeerden elkaar te beschermen. Een meisje was het gelukt om een scherp voorwerp te bemachtigen en zij had kans gezien om haar polsen door te snijden. Ze kon niet gered worden. Terwijl het bloed uit haar polsen vloeide, namen strijders haar mee. Zij waren op het geschreeuw van de vrouwen afgekomen. Als wraak hebben ze haar dode lichaam aan de honden gevoerd.

Niqaab

“In Telafer aangekomen werden we weer in een zaal gepropt. Nu waren we met een kleinere groep (aantal). Een groep IS strijders kwam binnen, twee van hen waren duidelijk van hogere rang. Zij stelden zich voor als Haji Baker en Abu Ali: ‘Jullie zullen allemaal een van onze strijders gaan dienen.’ De overige mannen gaven iedereen een niqaab. ‘Ga jullie wassen, morgen komen de mannen kijken in wie ze geïnteresseerd zijn. Zorg ervoor dat jullie gereinigd zijn.’ Zoals veel van de vrouwen onder ons weigerde ik te gaan douchen en de niqaab aan te trekken. De mannen begonnen te schreeuwen en sloegen mijn zus. Zij viel neer, was bewusteloos. Enkele vrouwen stonden langzaam op en begaven zich naar de wasruimte aan de andere kant van de verdieping. Anderen trokken de niqaab over hun kleding aan. Ik bleef weigeren en toen kreeg ik een geweer tegen mijn hoofd. 'Als je nu niet meeloopt dan maken we je dood,' werd er geschreeuwd."

Opnieuw werd Nofa geslagen. Hoeveel klappen ze heeft gehad die dag weet ze niet meer maar het waren er veel en haar lichaam zat onder de blauwe plekken. Toch wist ze dat ze haar niet zouden vermoorden. Ze willen vrouwen voor seks, dood hebben ze niks aan hen. Ze was niet meer bang, op dat moment dacht ze dat de rest van haar familie was vermoord. Er was niks meer om voor te vechten, niks om voor te blijven leven.

Steniging

“Ik herinner mij dat ik zeker drie dagen heb tegengestribbeld. Iedere keer kwamen er mannen, vaak in zwarte kleding met lang haar en lange baarden. Ze namen meisjes mee. Soms werden ze de volgende ochtend teruggebracht maar vaak bleven ze dagen weg. Sommigen heb ik nooit meer teruggezien. Ik zal nooit meer vergeten dat een meisje dat terug de ruimte in werd geduwd door een man, huilend vertelde dat ze een heel jong meisje had zien sterven. Ze was zo vaak door verschillende mannen verkracht dat haar lichaam het niet meer aan kon en ze aan haar verwondingen is overleden. Ze was misschien tussen de twaalf en vijftien jaar oud.

“Zelfs na deze verhalen bleef ik mij verzetten. Een emir kwam naar mij toe, nadat hij had gehoord dat er een meisje was dat zich niet wilde bekeren en zich niet wilde overgeven. Ik antwoordde hem dat het niet mijn schuld was dat ik als Yezidi was geboren.” Ik vertelde hem dat zijn mannen mij hadden geslagen en gedreigd hadden mij te vermoorden. Maar de emir vond blijkbaar dat zij het recht hadden dat te doen en zei dat als ik niet wilde meewerken ze mij zouden stenigen. ‘Het is namelijk zonde van de kogel als we je doodschieten. Jij verdient een verschrikkelijke dood.” Ik wist niet wat stenigen betekende maar hij ging verder. ‘We gaan je tot je borst in de grond begraven, vervolgens mag iedere strijder een steen naar je gooien. Zij zullen daarvoor in de hemel komen.

“Mijn zus smeekte mij om dit niet te laten gebeuren en mijn excuses aan te bieden. ‘Wij zijn de enigen van de familie die nog leven. Laat mij alsjeblieft niet alleen.’ Er was een strijder die het niet eens was met het plan om mij te stenigen. Hij wilde mij hebben en iedere keer opnieuw laten voelen dat ik dood ging. Door mij meerdere malen per dag te verkrachten. Dat zou mijn straf zijn. Ik was niet de enige die een manier zocht om dood te gaan. Veel vrouwen hadden die wens omdat dat beter was dan als slaaf verkocht te worden.

Een meisje sprong vanaf de derde verdieping naar beneden. Maar haar zelfmoordpoging mislukte. Ze had een hersenbeschadiging opgelopen en haar evenwicht was helemaal verstoord. Ze viel de hele tijd om. Maar de mannen vonden dat er niets met haar aan de hand was en namen haar soms mee voor de nacht.

Het was donker en we renden zachtjes door de stad

 

“Wanneer je denkt dat je familie dood is en je weet dat ze je gaan verkrachten, keer op keer. Dat ze je gaan doorverkopen als een slavin wanneer ze genoeg van je hebben. Dan heb je geen reden om te blijven leven. Je wilt dood, of je nu zelfmoord pleegt of dat zij je executeren. Je probeert van alles om te verdwijnen uit deze wereld. Maar ze laten je niet dood gaan want ze willen dat je de dood iedere dag opnieuw voelt.

“Een vriendin van mij had haar zoontje van vijf bij haar. Ze hoorde dat haar man was vermoord. Toen de strijders haar hoorden huilen kwamen ze de kamer ingestormd, en sloegen haar. ‘Als je nu niet stopt met huilen dan nemen we je kind mee en brengen we hem naar een trainingskamp. Dan zie je hem nooit meer.’ Een meisje dat bij ons op de verdieping, in een andere kamer verbleef werd regelmatig meegenomen. Ze kwam dan trillend terug en we hoorden haar uren achtereen gillen en huilen. Ik werd uiteindelijk ook meegenomen en die eerste keer ben ik twee dagen bij die man gebleven.

“We bleven vragen of onze familieleden nog in leven waren. Aan de mensen die ons verkrachtten. Een van de mannen die mij had meegenomen zei ineens: ‘Je familie leeft, ik breng je naar hen toe.’ Hij nam me mee naar de andere kant van de stad. Ik mocht tien minuten blijven, toen moesten we weer gaan. Na een maand onzekerheid wist ik dat mijn moeder in leven was. Ze pakte mijn hand en zei hetzelfde tegen mij. Ook zij dacht dat ik het niet had overleefd.

Gratis weggegeven

“Telafer was een verlaten stad. Voorheen telde het ruim tweehonderdduizend inwoners, voornamelijk Iraakse Turkmenen. Nu was iedereen die zich niet had aangesloten bij IS gevlucht. Iedere strijder kreeg een huis, een auto en een vrouw. Ze hadden altijd een wapen bij zich. De man die mij eerder had meegenomen heeft mij voor een tweede keer opgehaald. Ik probeerde zijn wapen van hem af te pakken toen hij mij even niet aankeek. Maar hij was te sterk en duwde mij weg. ‘Nu weet ik dat ik je niet kan vertrouwen, dus ga ik je doorverkopen. Ik ga niet wachten tot jij mij ’s nachts iets wil aandoen.’ Er kwam een oudere man, van ongeveer zestig jaar. Ze spraken Turkmeens. Ik begreep niet wat ze zeiden maar wel dat ik voor 800 dollar werd verkocht aan die oudere man. Maar er werd geen geld overhandigd. Later vertelde hij mij dat hij mij had gekregen. Ik was gratis weggegeven zodat het nog erger voor mij zou zijn. Het werd zwart voor mijn ogen toen hij mij de auto in duwde. Ik kon niet meer, ik kon de gedachte om door deze man verkracht te worden niet aan.

“Hij bracht me naar zijn huis waar ook zijn vrouw en en kinderen woonden. Ik vroeg zijn vrouw om hulp, dacht dat zij wel medelijden met mij zou hebben. En ze wilde toch ook niet dat haar man met een andere vrouw zou slapen. Maar nee, ze zei dat het halal was om een Yezidi meisje in huis te hebben en te gebruiken voor huishoudelijke taken maar ook voor seks. ‘Maar wat als jouw dochter in zo’n situatie zou komen, dat zou u toch ook niet kunnen verdragen?’ Toen heeft ze mij meerdere keren in mijn gezicht geslagen. ‘Onze vrouwen zijn beter want zij zijn Moslim. Dit zal nooit gebeuren met onze dochters.’ Ik moest vijf keer per dag bidden en een niqaab dragen van deze vrouw.

“Ik dacht dat ik wel een kans zou hebben om te ontsnappen uit dit huis en hield alles in de gaten. De tiende nacht, toen iedereen sliep greep ik mijn kans. Ik liep weg, maar ik kende de stad niet. Ik had geen idee welke kant ik op zou moeten lopen voor hulp. Er stond een buurman op straat en hij vroeg wie ik was. Het was als vrouw niet geoorloofd om alleen, zonder mannelijke begeleiding, de straat op te gaan en zeker niet ’s nachts. Ik vertelde hem mijn verhaal, hij leek aardig. Maar hij zei dat hij mij niet kon helpen, dat dat te gevaarlijk was. Ik was bang dat hij mij zou verraden en rende weg, de duisternis in. Ik liep en liep, geen idee waar ik naar toe ging. Toen het licht begon te worden kwam ik twee mannen tegen. Ik liep langs de oever van een rivier. Ik schreeuwde: als jullie niet weggaan dan verdrink ik mijzelf. Maar ze riepen dat ze mij wilden helpen en hielden een mobiel omhoog. Ik mocht iemand bellen. Ze kwamen dichterbij, langzaam, en gaven mij hun mobiele telefoon. Maar wie moest ik bellen? Ik probeerde een nummer maar niemand nam op. Dus ging ik met hen mee, want waar moest ik anders heen. Ze zeiden dat ze voor mij zouden zorgen en mij naar mijn familie zouden brengen. En toen brachten ze mij naar het IS centrum van die wijk. Ik was weer terug bij af.

Slot

Nofa’s broers met vrouwen en kinderen en haar moeder woonden met vijf andere families in een huis in Telafer, aangewezen door IS. Yezidi’s die zich bekeerden tot de Islam kregen een huis toegewezen maar werden wel in de gaten gehouden, zodat ze niet zouden vluchten.

“Als de man des huizes van het gezin bij wie ik verbleef naar het front ging om te vechten moest zijn zoon op mij letten. De weken verstreken en de man kreeg iets meer vertrouwen in mij. Soms bracht hij mij naar mijn familie als hij ging vechten. Ik mocht daar dan enkele dagen blijven en dan werd ik weer opgehaald. Ook mijn zus was soms in dat huis. Iedere keer bespraken we onze kansen om te ontsnappen. Op 25 april was het zover. Mijn broers hadden een smokkelaar betaald die ons vertelde via welke weg we de stad moesten verlaten. We zouden ergens verzamelen, in een huis op een verlaten plek buiten Tel Afer, in een huis waar het licht aan was gelaten ter herkenning. Het was donker en we renden zachtjes door de stad. Uiteindelijk verzamelden 42 mensen zich in het huis. De smokkelaar leidde ons door velden, door onbewoonbaar gebied totdat we uren later een peshmerga checkpoint bereikten. We moesten wachten totdat het licht werd, zodat ze ons konden identificeren, het was namelijk pikdonker. We zijn naar een ziekenhuis in Duhok gebracht en vervolgens naar een kamp in Duhok.

Nofa woont nu in Duitsland waar ze meedoet aan een rehabilitatieprogramma voor Yezidi’s dat hen therapie en onderdak voor twee jaar geeft. Daarna is het mogelijk om in Duitsland te blijven. Ze leert nu Duits en daarna wil ze bouwkunde studeren, daar droomde ze als klein meisje al van.

Hivos werkt samen met partnerorganisatie EMMA die gevluchte Yezidi's opvangt in een speciaal ingericht centrum. Daar krijgen ze psychische hulp en er wordt geprobeerd de blik voorzichtig weer op de toekomst te richten. Die ondersteuning is van onschatbare waarde. Want wanneer de vrouwen hun vrijheid terug hebben, zijn hun problemen nog lang niet voorbij.

Ook Nieuwsuur besteedde op 5 januari 2017 aandacht aan het verhaal van Nofa. Bekijk het volledige item hier.

Wil je ook bijdragen aan de opvang van Yezidi vrouwen die ontsnapt zijn aan IS? Dat kan dan hier. Alvast bedankt voor je steun!

Help mee