Evelien de Hoop
REWIND: WINTER 2009
Deze eerste post is een zeer beknopte samenvatting van al mijn ervaringen met SINAM en mijn gedachten hierover tot nu toe, en een korte blik op de toekomst. Het is daarom wellicht een wat lange post, maar ik hoop desondanks boeiend.
Ruim een jaar geleden, van februari t/m april 2009, ben ik vrijwilliger geweest bij SINAM, in Tamil Nadu, India. Ik was 21, klaar met mijn bacheloropleiding, moe van het leren uit boeken en brandde van nieuwsgierigheid om meer van de wereld te zien dan west Europa en de schril daarmee in contrast staande beelden van ontwikkelingslanden op de televisie. Daaruit ontstaan had en heb ik 2 passies: streven naar een rechtvaardigere wereld, zowel structureel als op micro-niveau, en werken aan een wereld waarin mensen, dieren, planten en het aardsysteem als geheel in evenwicht zijn.
Idealistisch als ik ben, was ik toch ook wel licht sceptisch over wat ik zou kunnen bereiken in de drie maanden die ik zou gaan doorbrengen in India. Mijn boekenkennis had me wel verteld dat ontwikkeling die van bovenaf wordt opgeleid weinig kans van slagen heeft, en dat je eigenlijk heel goed moet begrijpen hoe de lokale situatie is, waarom bepaalde problemen eigenlijk bestaan voor je ze op kunt gaan lossen. Daarom was ik op zoek gegaan naar een lokale organisatie, waar ik bij zou kunnen dragen aan een reeds op bovengenoemde wijze - dus met begrijp van de achterliggende redenen voor bestaande problemen - opgezette projecten.
SINAM paste perfect binnen mijn ideeën. Opgericht en nog altijd gerund door Dalits helpt deze organisatie de kastelozen in en rond het landelijke stadje Tiruvannamalai. SINAM's ‘bread and butter’ zijn zelfhulpgroepen - met name voor vrouwen, maar ook voor jongeren en mannelijke boeren. Kinderen die in nood verkeren vanwege drankverslaving van de ouders, extreme armoede of een ernstige ziekte worden geholpen via een sponsorprogramma, en er is bijvoorbeeld een programma om gezondheidsproblemen aan te pakken. Het mooie aan SINAM vind ik dat ze zich niet op één enkel probleem richten, maar op allesomvattende wijze de armoede van een bepaalde bevolkingsgroep proberen aan te pakken.
Bij aankomst bleek dat ik de mogelijkheden om binnen een bestaand programma mee te draaien een beetje had overschat - dit vereiste toch wel meer kennis van de situatie, en bovendien was de taalbarrière groot. Het bleek dan ook dat SINAM in eerste instantie behoefte had aan Engelse les voor de staff. De reden is dat SINAM wordt gerund door mensen die uit dezelfde groep komen als de mensen die deelnemen aan (en daarmee geholpen worden door) SINAM’s programma’s. De staff heeft hierbij wel een uitstekkend begrip van de lokale problematiek en een goede opleiding gehad op het gebied waarin ze werken, maar heeft eigenlijk nooit goed Engels onderwijs gehad. Aangezien ik sinds mijn zestiende al bezig ben met bijles geven, vond ik dit een prima passende activiteit voor SINAM en mij. ’s Avonds gaf ik bovendien nog Engelse les in een arm dorp waar alleen kastelozen woonden, zittend op straat met een schoolbordje aan de waslijn.
Tegelijk heb ik heel veel kunnen leren over SINAM. Ik ben op bezoek geweest bij zelfhulpgroepen, heb inzicht gekregen over hoe deze groepen werken, en ook inzicht in hoe en waarom het moeilijk is om antwoord te krijgen op vragen die ik stelde. Dit bleek vooral te maken te hebben met een compleet ander denkkader – iets wat in combinatie met de taalbarrière in eerste instantie lastig te overbruggen was. Tegen het einde van mijn periode bij SINAM heb ik zelf een workshop geleid over moestuinen en een workshop over persoonlijke hygiëne, waarbij ik geprobeerd heb mijn wens om de levenssituatie van (in dit geval) vrouwen te begrijpen te combineren met het belang van werken vanuit reeds bestaande kennis. Dit heb ik gedaan door de vrouwen te vragen om in groepen te tekenen wat ze over deze onderwerpen wisten, en de posters die hieruit ontstonden te presenteren aan elkaar. Hierop voortbouwend is de staff van SINAM aan het werk gegaan met vrouwen om ze te helpen zelf moestuinen te beginnen en hun gewoontes (en die van hun familieleden) op het gebied van persoonlijke hygiëne te bespreken en waar nodig/passend te veranderen. Deze aanpak van het maken van tekeningen past ook goed bij het idee van bijvoorbeeld de Franse filosofen Foucault en Rorty dat taal en woorden een reflectie zijn van de manier waarop je ergens over nadenkt binnen een culture. Zo kunnen woorden dus juist een barrière vormen voor wederzijds begrip in plaats van een hulpmiddel. Door tekeningen te gebruiken kun je de interactie verrijken en de barrière (gedeeltelijk) opheffen. Daarbij was het voor mij een mogelijkheid om direct met de vrouwen te communiceren, die geen Engels spraken.
Al met al was ik enorm geraakt door SINAM’s werk. Sinds mijn terugkomst in Nederland, tijdens een stage in Tsjechië en ook nu tijdens mijn huidige mastersopleiding in Oxford, ben ik betrokken gebleven bij SINAM. Ik heb sponsors gezocht voor 15 kinderen (die nu worden gesponsord bij mensen die wonen in Nederland, Tsjechië en Engeland) die binnen SINAM’s kinderprogramma geholpen worden, geef SINAM advies over fondsenaanvragen en zoek actief naar nieuwe mogelijkheden voor ze om fondsen aan te vragen. Af en toe zijn we succesvol, wat enorm veel betekent voor SINAM.
Vooral heel belangrijk op dit moment is dat ik weer terug ga naar India. Ik ga onderzoek doen in het stadje Tiruvannamalai en tegelijk weer aan de slag voor SINAM, zowel in samenhang met mijn onderzoek als daarbuiten. Hierover op mijn volgende post meer!


